Gemeentebelasting op tweede verblijven

GEMEENTEBELASTING OP TWEEDE VERBLIJVEN - 2018 T/M 2019- GOEDKEURING

Gelet op de Grondwet, meer bepaald artikel 170, §4;

Gelet op het Gemeentedecreet van 15 juli 2005, en latere wijzigingen, in het bijzonder op de bepalingen van artikel 42, §3, artikel 43, §2,15° en artikel 253, §1,3°;

Gelet op het decreet van 30 mei 2008, en latere wijzigingen, betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen;

Gelet op het gemeenteraadsbesluit van 1 maart 2018 houdende de vaststelling van een belasting op de tweede verblijven voor de aanslagjaren 2018 t/m 2019;

Gelet op de omzendbrief van 10 juni 2011 van de Vlaamse minister van bestuurszaken, binnenlands bestuur, inburgering, toerisme en Vlaamse rand houdende coördinatie van de onderrichtingen over de gemeentefiscaliteit (Omzendbrief 2011/1);

Overwegende dat de belasting op tweede verblijven bovenal een forfaitaire weeldebelasting is op het gebruik van een luxegoed, ongeacht het inkomen van de belastingplichtige;

Overwegende dat het beschermen van het wonen voor eigen inwoners een belangrijk uitgangspunt was in het Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan; dat in het Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan de druk van pensioenmigratie en het toenemend belang van de tweede verblijven met als gevolg een tekort op de woningmarkt voor de eigen bevolking (waaronder jonge gezinnen) uitdrukkelijk als knelpunt wordt aangehaald;

Overwegende dat ook het Lokaal Sociaal Beleidsplan 2008-2013 uitdrukkelijk de hoge huurprijzen en de nood aan betaalbare huisvesting, deels als gevolg van het belangrijke aantal tweede verblijven, als knelpunt opwerpt; dat het Lokaal Sociaal Beleidsplan 2008-2013 vermeldt dat het aandeel tweede verblijven sterk verschilt naargelang de locatie in de gemeente; dat deze beleidsplannen nog steeds van toepassing zijn;

Overwegende dat de gemeente het residentieel wonen in de gemeente wil beschermen, dit om boeiend en coherent sociaal leven in de dorpen te kunnen behouden en niet geconfronteerd te worden met woningen die langere tijd onbewoond zijn in deze kernen;

Overwegende dat het grote aantal tweede verblijvers aanleiding geeft tot hoge kosten inzake veiligheid; dat een verhoging van capaciteit bij de lokale politie en brandweer noodzakelijk is tijdens weekends en vakantieperioden en dat de politie ook meer controle dient te verrichten tegen inbraak wanneer de tweede verblijvers weg zijn;

Overwegende dat grote inspanningen geleverd worden om de gemeente op cultureel, sportief en toeristisch vlak op een hoog niveau te houden; dat er heel wat evenementen en activiteiten georganiseerd worden zodat tweede verblijvers tijdens de weekends en in de vakantieperioden kunnen genieten van een boeiend verblijf. Deze activiteiten geven aanleiding tot hoge kosten;

Overwegende dat er eveneens grotere kosten zijn aan het onderhoud en vernieuwing van het openbaar domein, in het bijzonder in de meer toeristische zones 1 en 2; De gemeente zorgt er bovendien voor dat er extra huisvuilophalingen zijn in piekmomenten en levert meer inspanningen om het openbaar domein te verfraaien zodat de tweede verblijvers kunnen verblijven in een aangename, veilige en propere gemeente;

Overwegende dat de instroom van tweede verblijvers zorgt voor prijsverhogingen op de woonmarkt en hogere kadastrale inkomens. De gemeente is daardoor genoodzaakt om te investeren in sociale en betaalbare woningen;

Overwegende dat de omzendbrief van 10 juni 2011 houdende coördinatie van de onderrichtingen over de gemeentefiscaliteit (Omzendbrief 2011/1) een tarief boven 1.000 euro niet meer als gematigd beschouwt;

Overwegende dat een differentiatie van tarieven volgens de zone waarin het tweede verblijf is gelegen is aangewezen; dat een opdeling van de gemeente in drie zones is aangewezen;

Overwegende dat de omzendbrief van 10 juni 2011 houdende coördinatie van de onderrichtingen over de gemeentefiscaliteit(Omzendbrief 2011/1) uitdrukkelijk een tariefdifferentiatie rekening houdend met de ligging van het tweede verblijf toelaat;

Overwegende dat een eerste zone duidelijk onderscheidbaar is van andere tweede verblijven wegens de ligging op een kadastraal perceel dat paalt aan de zeedijk van De Haan-centrum en Wenduine; dat het karakter van deze belasting als weeldebelasting een hoger tarief voor de tweede verblijven in deze zone wenselijk maakt;

Overwegende dat de derde zone hoofdzakelijk recreatiegebied betreft, waar derhalve tweede verblijven minder bedreigend zijn voor de woonmarkt;

Overwegende dat het aandeel tweede verblijven in het totaal aantal woningen het grootst is in zone 1, met name ca. 90%, en het laagst in zone 3, met name ca. 32%, terwijl het aandeel tweede verblijven in zone 2 ca. 45% bedraagt;

Gelet op art. 3 van het gemeenteraadsbesluit van 1 maart 2018 houdende de vaststelling van een belasting op de tweede verblijven voor de aanslagjaren 2018 t/m 2019 waarbij een vrijstelling wordt verleend bij opname van de belastingplichtige of zijn huurder in een rust- en verzorgingscentrum en overwegende dat deze vrijstelling onbeperkt was in de tijd;

Overwegende dat de gemeente deze vrijstelling wenst te beperken in de tijd;

Overwegende dat de opname in een rust- en verzorgingscentrum geen vrijwillige keuze uitmaakt en het derhalve billijk is om een vrijstelling te verlenen voor het aanslagjaar volgend op de datum van adreswijziging naar het rust- en verzorgingscentrum opdat de belastingplichtige de kans zou krijgen een beslissing te nemen en de nodige regelingen ter zake te treffen met betrekking tot het betrokken onroerend goed dat door de opname en inschrijving in het rust- en verzorgingscentrum een tweede verblijf is geworden;

Overwegende dat de belasting op tweede verblijven noodzakelijk is voor het bereiken van een financieel evenwicht in het meerjarenplan;

Gelet op de financiële toestand van de gemeente;

Met*

BESLIST:

Art.1.- Vanaf 1 januari 2018 en voor een termijn die eindigt op 31 december 2019, wordt ten voordele van de gemeente een jaarlijkse belasting gevestigd op de tweede verblijven, gelegen op het grondgebied van de gemeente, ongeacht het feit of ze al dan niet in de kadastrale legger zijn ingeschreven.

Art.2. - Een tweede verblijf is een woongelegenheid die voor de eigenaar of de huurder of de gebruiker ervan niet tot hoofdverblijf dient, maar die op elk ogenblik door hen voor bewoning kan worden gebruikt, ongeacht het feit of het gaat om landhuizen, bungalows, appartementen, studio’s, weekeindhuisjes, optrekjes of andere woongelegenheden. Woongelegenheden in nieuwbouw die op 1 januari van het aanslagjaar afgewerkt en gebruiksklaar zijn en aan bovenstaande bepalingen voldoen, worden als tweede verblijf aangezien, alsook het verblijf dat tegelijkertijd als woongelegenheid en voor de uitoefening van een beroepsactiviteit gebruikt wordt, maar niet als hoofdverblijf dient.

Hoofdverblijf houdt in dat de eigenaar of huurder op het adres is ingeschreven in het bevolkings- of vreemdelingenregister.

Het feit dat een maatschappelijke zetel is gevestigd op de woongelegenheid heeft geen invloed bij het bepalen van de belasting.

Ten aanzien van de gebruiker van het tweede verblijf wordt geen rekening gehouden met verdere onderverhuring, tijdelijke verhuring of gratis gebruiksverlening van het woonverblijf.

De hoedanigheid van het tweede verblijf wordt beoordeeld op 1 januari van het aanslagjaar.

Art.3. -

Worden niet als tweede verblijf beschouwd :

  • - het verblijf uitsluitend bestemd voor het uitoefenen van een beroepsactiviteit;
  • - de openluchtrecreatieve verblijven gelegen op terreinen voor openluchtrecreatieve verblijven zoals gedefinieerd in het belastingreglement op plaatsen voor openluchtrecreatieve verblijven gelegen op terreinen voor openluchtrecreatieve verblijven;
  • - de woongelegenheid/woning die werd opgenomen in het gemeentelijk leegstandsregister;
  • - de kamers die deel uitmaken van de uitbating van een kamergerelateerd toeristisch logies in de zin van het Besluit van de Vlaamse Regering van 17 maart 2017 tot uitvoering van het decreet van 5 februari 2016 houdende het toeristische logies.

Op aanvraag van de belanghebbende wordt er vrijstelling van de belasting verleend wanneer de belastingplichtige kan aantonen dat op 1 januari van het aanslagjaar :

  • - zijn niet-gemeubileerd gebouwd onroerend goed wordt gerenoveerd of verbouwd waardoor het niet voor bewoning kan gebruikt worden. De vrijstelling kan slechts worden verleend voor een maximale periode van drie jaar;
  • - hij zijn zakelijke rechten op zijn onroerend goed niet kan uitoefenen door toedoen van een ramp, een lopende gerechtelijke procedure of onderzoek of een niet-afgehandelde procedure van erfenis. De belasting is opnieuw verschuldigd vanaf 1 januari van het aanslagjaar volgend op het jaar waarin de omstandigheden die het vrij genot van zijn onroerend goed belemmeren, wegvallen;
  • - hij of zijn huurder opgenomen is in een rust- en verzorgingscentrum. Deze vrijstelling is beperkt tot het belastbaar goed waar de persoon, die opgenomen werd in een rust-en verzorgingscentrum, gedomicilieerd was. De vrijstelling kan slechts worden verleend voor het aanslagjaar volgend op de datum van adreswijziging naar het rust-en verzorgingscentrum;
  • - zijn woongelegenheid aan het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn of een sociaal verhuurkantoor wordt verhuurd.

Art.4. - De belasting is verschuldigd door de natuurlijke- of rechtspersoon die eigenaar is van het tweede verblijf. Zijn belastingsplicht geldt ook wanneer hij het tweede verblijf te koop stelt of het gebruik ervan in huur geeft of het kosteloos afstaat. Zijn belastingsplicht geldt ongeacht het feit of hij al dan niet is ingeschreven in een andere woning in de bevolkingsregisters van de gemeente.

In het geval van vruchtgebruik, recht van opstal of recht van erfpacht is de belasting verschuldigd door de vruchtgebruiker, de opstalhouder of erfpachthouder. De eigenaar is solidair gehouden tot betaling van de belasting.

De belasting is ondeelbaar en voor het ganse aanslagjaar door de eigenaar op 1 januari van het aanslagjaar verschuldigd.

Art.5. - Het bedrag van de belasting wordt differentieel per jaar en per tweede verblijf vastgesteld, volgens de zone waarin het tweede verblijf krachtens de hierna vastgestelde bepalingen gerangschikt wordt.

De gemeente wordt voor het toepassen van deze belasting in volgende zones ingedeeld :

Zone 1: € 650,00

De gebouwen en/of de gebouwen waarin de tweede verblijven (woongelegenheden) zich bevinden, behorende tot één kadastraal perceel dat paalt aan de zeedijk van De Haan-Centrum of Wenduine.

Zone 2: € 500,00

Het volledige grondgebied van de gemeente, uitgezonderd de gebouwen vermeld onder Zone 1 en 3.

Zone 3: € 420,00

Afdeling Wenduine

De gebouwen gelegen in de zone gevormd door de Blankenbergsesteenweg vanaf de Neptunuslaan tot aan de grens met Blankenberge, de grens met Blankenberge en de Neptunuslaan.

Afdeling Heide

De gebouwen gelegen in de zone gevormd door de Driftweg vanaf huisnummer 116 tot aan de grens met Bredene, de grens met Bredene, de Batterijstraat (met zijstraten), de Vosseslag en de Kennedylaan.

Art.6. - Van zodra een op het grondgebied van de gemeente De Haan gelegen tweede verblijf niet meer gebruikt wordt als tweede verblijf of verkocht wordt, moet de belastingplichtige, uit eigen beweging, het gemeentebestuur De Haan – dienst financiën binnen de maand na de doorgevoerde wijziging hiervan schriftelijk in kennis stellen en de nodige bewijzen indienen.

Art.7. - De vestiging en de invordering van deze belasting zal geschieden door middel van een kohier overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 30 mei 2008, en latere wijzigingen.

Art.8. - Het gemeenteraadsbesluit van 1 maart 2018 houdende de vaststelling van een gemeentebelasting op de tweede verblijven voor de aanslagjaren 2018 tot en met 2019 wordt opgeheven vanaf 1 januari 2018.

Art.9. - Deze verordening wordt aan de toezichthoudende overheid toegezonden.